markus miessen
interviews frank van der salm

CULTURELE DIVERSITEIT ONDER DRUK

Markus Miessen in gesprek met Frank van der Salm

Frank van der Salm is fotograaf en gevestigd in Rotterdam. Zijn interesse gaat uit naar de ontwikkeling van megasteden. Volgens hem is de uitbreiding van de Rotterdamse Haven van groot strategisch en economisch belang voor Nederland. Hij pleit er dan ook voor dat de gesprekken hierover niet op regionaal niveau gevoerd worden maar op nationaal niveau, vanuit een internationaal perspectief. Een internationaal team van onderzoekers uit diverse disciplines zou nieuwe mogelijkheden kunnen bieden voor een sociale, economische, maar ook culturele make-over van de Rotterdamse Haven.

MM Frank, jouw thuisbasis is Rotterdam. Kun je iets zeggen over hoe de stad jou en je werk beïnvloedt?

FvdS Een stad geeft me energie, dat is de voornaamste invloed die een stad op mij heeft. Het is een vat vol tegenstrijdigheden met plaatsen waar je je niet prettig voelt, waar je je verloren kunt voelen, een plaats met non-plaatsen. En aan de andere kant zijn er de levendige nachten en inspirerende ontmoetingen met vrienden en collega’s. In een stad ben ik altijd klaarwakker, alert zelfs. Op zoek naar verandering en de mogelijkheden die dat met zich mee brengt. Omdat mijn werk vooral over stedelijke onderwerpen gaat, is die energie voor mij essentieel. Als die energie er niet is, voel ik me niet thuis. Misschien is die energie onbewust het lijntje dat me verbindt met plekken op de wereld waar ik ooit heb gewerkt, met fotomateriaal dat ik op de gekste plaatsen heb geproduceerd, als je begrijpt wat ik bedoel. Hoewel het niet altijd aangenaam is – gelukkig meestal wel –, kan ik slecht zonder die energie. Dus om terug te komen op je vraag: het is niet zozeer de stad Rotterdam die letterlijk en herkenbaar invloed uitoefent op mijn werk, maar meer het vermogen van de stad om mij te verbinden met steden elders ter wereld en met alles wat die steden weer met elkaar verbindt.

MM Portscapes is bezig een artistiek inhoudelijk kader op te zetten voor de uitbreiding van de haven van Rotterdam. In Nederland vind je de uitersten stad-platteland en industrie-natuur vaak dicht bij elkaar. Dat is bijzonder. Heb jij zo’n soort plek die voor jou bijzonder is?

FvdS In Rotterdam moet dat iets met de rivier zijn. Als je vanuit het zuiden met de auto Rotterdam binnenrijdt, ga je over de Van Brienenoordbrug. Opeens is de stad daar zomaar, meestal onder een nevel van grijze Hollandse luchten, een stad die zo afhankelijk is van water – je ziet de enorme hijskranen in de haven, de zware transportvrachten en de uitgestrekte gebouwen op een plateau net boven zeeniveau. Daar kijk je vanuit de auto op neer, en omdat je snel rijdt, heb je maar een paar seconden om dat beeld in je op te nemen. En het blijft je voor altijd bij. Ik verheug me altijd op dat moment, voel een soort opluchting als ik dichter bij de brug kom, op elk uur van de dag, in welke stemming ik ook ben. Ik vind het spannend, ben altijd weer vol verwachting. Wat vreemd is, natuurlijk, want ik weet precies wat ik te zien krijg. Misschien is het de confrontatie. Je ziet die grote stad, je weet wat die stad betekent, en dan vang je in een flits een glimp op van de kwetsbaarheid van die stad. Op dat moment lijkt de stad bijna beheersbaar, alsof je er grip op hebt – schaal telt even niet mee. Natuurlijk is het essentieel dat je dat moment vanuit een beweging ervaart. Als ik een plek zou moeten kiezen, zou het dat moment zijn, dat moment op die brug. Of het zicht vanaf die brug. Dat zou je ook een soort plek kunnen noemen.

MM Als je kijkt naar de architectuur, de politieke en de sociale aspecten van de haven, hoe zie jij dan de toekomst voor de haven?

FvdS De haven zal moeten veranderen. Niet met de tijd meegaan, is geen optie. Als je ziet welke enorme veranderingen zich voltrekken in de wereldeconomie, de snelheid waarmee landen in Azië zich kunnen aanpassen aan nieuwe omstandigheden bijvoorbeeld, dan heeft Rotterdam geen keus. Je kunt niet alleen blijven teren op prestaties uit het verleden. De vraag zou moeten zijn: ‘Wat wil Rotterdam in de toekomst zijn?’ Wil de stad blijven concurreren met Singapore, Busan, Hongkong etc., of zal de focus liggen op behoeften die wereldwijd aan het veranderen zijn? Productielanden zijn veranderd, financiële markten zijn in beweging, nieuwe landen zijn in de ‘echte consumptiefase’ beland. Internationale handel blijft natuurlijk bestaan, en hoogstwaarschijnlijk blijft er ook behoefte aan een regionale functie. Maar op wereldschaal gaan de dingen zich waarschijnlijk anders ontwikkelen dan in ons nationale scenario. En het zou goed kunnen dat er veel ruimte beschikbaar komt. In die zin denk ik dat verandering veel nieuwe functies voor deze gebieden zou kunnen opleveren. Het is van nationaal belang om dit internationaal aan te kaarten.

MM Hoe kunnen we consensuspolitiek bij besluitvorming op regionale schaal omzeilen? Met name in een economisch en strategisch zo belangrijk centrum als Rotterdam?

FvdS De vraagstelling impliceert dat consensus niet de juiste manier is. Of dat wel of niet zo is, zal altijd onderwerp van discussie blijven, vrees ik. Ook over het onderwerp zelf bestaat geen consensus, dus het blijft op de agenda staan. Rotterdam is economisch en strategisch van groot belang, vooral tegenwoordig. Gesprekken over Rotterdam Haven zouden echter minstens op nationaal niveau moeten plaatsvinden, in plaats van op regionaal niveau. Regionale behoeften zijn ondergeschikt aan het nationale belang. Bereidheid tot verandering vraagt om consensus over de noodzaak tot verandering. En dat gaat soms heel langzaam. Té langzaam. Voor wat betreft de besluitvorming over dergelijk grote zaken, heb ik niet voldoende inzicht in de politieke structuren. Omdat ik niet weet of zoiets al bestaat, houd ik het algemeen. Ik denk dat het goed is om een soort curator aan te stellen, of een team van curatoren met politieke credits en volmachten, die in samenwerking met de havenautoriteiten kunnen onderzoeken hoe het vergelijkbare ‘oude’ industrieën in het verleden op internationale schaal is vergaan. Het lijkt me interessant om te weten hoe zij omgingen met de veranderende tijd en of ze zich hebben kunnen aanpassen aan de veranderde behoeften op wereldschaal. De inspanningen van deze curatoren zouden kunnen leiden tot een netwerk van verjongende ‘buurten’ en veranderende industrieën, er zouden multifunctionele gebouwen kunnen komen, ook voor tijdelijke activiteiten, of gebouwen waarin werk en ontspanning worden gecombineerd enzovoort. Alles is mogelijk. Het team zou kunnen bestaan uit architecten, urban planners, kunstenaars, havenautoriteiten etcetera. De haven is een stad die veel meer internationale connecties heeft dan veel ‘echte’ steden. Laten we de haven zien als stad, als een krachtige metropool die aandacht nodig heeft. De ruimtelijke kwaliteiten van Rotterdam Haven bieden veel meer gebruiksmogelijkheden dan alleen zware industrie. Besef goed dat het niet voor het eerst zou zijn dat dingen opnieuw moeten worden uitgevonden, afgebroken en anders opgebouwd. Dat er functies worden toegevoegd. Of anders gezegd: dat de huidige wereld wordt geherstructureerd. Als we internationaal mee willen blijven tellen, dan moeten we een internationale taal gaan spreken. De ruimtelijke gevolgen zouden enorm zijn. Maar regionaal denken is niet groot genoeg voor een haven die zo groot is als Rotterdam Haven.

MM Als je premier Balkenende iets zou mogen vragen, wat zou dat dan zijn?

FvdS Met betrekking tot het vorige onderwerp zou ik hem vragen een internationaal onderzoeksteam samen te stellen van politici, wetenschappers, havenautoriteiten, architecten, kunstenaars en urban planners. Dit team kan de functies van de haven in kaart brengen en krijgt vervolgens carte blanche bij het schetsen van een mogelijke (!) economische, sociale en culturele makeover. Ze krijgen helemaal de vrije hand.

MM Jij bent fotograaf en kunstenaar. Wat is jouw fascinatie met de ontwikkeling van steden?

FvdS In steden zie je verandering het eerst. Wereldwijd staan grote steden met elkaar in verbinding door middel van handel, financiën en massamedia – en daarin speelt fotografie een grote rol. Meer dan 50% van de wereldbevolking woont in steden. Dat is uniek in de geschiedenis. Stel je eens voor welke consequenties dat zou kunnen hebben voor de manier waarop wij de komende vijftig jaar de werkelijkheid zien. We leven in het zaptijdperk, in een zapcultuur. Als fotograaf moet je dat gegeven meenemen in je werk. Je kunt niet maar meer beeld blijven toevoegen en van mensen verwachten dat ze dit ‘lezen’ zonder over context na te denken. Steden zijn geen duidelijk identificeerbare objecten meer, maar een landschap van interacties. Ik bevind me in een paradox: enerzijds een snel veranderende ‘echte’ wereld, gebaseerd op beeldmateriaal, en anderzijds mijn werk als fotograaf waarmee ik verwijs naar die werkelijkheid. Dit is een van de uitgangspunten in mijn fotowerk. Het is een fascinerende positie, midden in alle verandering. En vanuit dat centrum, vanuit die ruimte, ga ik op ontdekking. Tijd en ruimte gebruik ik daarbij als ‘morphing bodies’.

MM Iets wat je vaak terugziet in jouw werk, is beheersing van landschappen. In hoeverre mag de mens ingrijpen?

FvdS De mens is overal. Herinner je je die luchtfoto’s van ‘nieuwe indianenstammen’ in de jungle van Zuid-Amerika? Van die indianen die in oorlogstenue met pijl en boog stonden te schieten op die ijzeren vogels? We zijn overal, en bijna geen ‘Nature Sublime’ overleeft als wij er ons oog op laten vallen. Dat feit alleen al maakt dat alles voor altijd anders wordt. Kijken, ergens naar kijken, is een werkwoord. Het is iets actiefs. Je laat dingen toe in je hersenen, en dat is niet neutraal of ongevaarlijk. Romantische idealen van een ongeschonden natuur zijn naïef. Ook het feit dat beeld overal aanwezig is, in alle facetten van ons leven, is niet neutraal. Wij denken in beelden. Is dat erg? Ik denk het niet. De realiteit is dat de mens, hoe dan ook, altijd ingrijpt. In mijn werk reflecteer ik op dat feit en ik verwerk het door gebruik te maken van beelden, te spelen met verwachtingen, een spanningsveld te creëren bij aannamen over de werkelijkheid etcetera. Je kijkt altijd naar beelden waarin het landschap als het ware wordt gebruikt, en niet naar het landschap zelf. Tegenwoordig betekent controle over beelden controle over het landschap – als je beelden toevoegt, voeg je ruimte toe. Een hedendaagse stad zonder beelden is nauwelijks voor te stellen. Het lijkt mij ondraaglijk. Dus laat ons vooral ingrijpen!

MM Wat spreekt jou meer aan: urban density of wildgroei op regionale of zelfs nationale schaal?

FvdS Beide situaties zijn voor mij even aantrekkelijk – om dezelfde reden: ze zijn het resultaat van menselijk handelen en ingrijpen in de leefomgeving. Beide situaties zijn het resultaat van de moeite die de mens zich heeft getroost om zijn dromen te verwezenlijken en van de fouten die het gevolg zijn van zijn handelen. En van de impact die dat heeft gehad op natuurlijke hulpmiddelen. Voor mij heeft stijl niets te maken met de vorm van dingen. Ik zou tientallen series kunnen maken van gedeeltelijk onscherpe foto’s van Zwitserland, zoals de serie die ik in 1995 heb gemaakt. Waarschijnlijk zou ik ze ook nog verkopen, maar hetzelfde kunstje twee keer doen, is te gemakkelijk. Als fotograaf zou ik niet meer serieus genomen worden. Voor mij is stijl een geïnternaliseerde, persoonlijke werkmethode, een conceptueel ding. Dat betekent dat in verschillende situaties verschillende handelingen nodig zijn om ze in mijn ruimte te trekken. Urban density vraagt om een andere aanpak dan wildgroei. Je zou wel kunnen zeggen dat ze uiteindelijk in dezelfde stad terechtkomen – in ‘mijn’ stad. Maar dan praat ik fotografisch. Als ik zou moeten kiezen waar ik wil wonen, kies ik de stad. Ik houd van de afwisseling, het gebrek aan controle, de anonimiteit, de viezigheid, de culturele interactie en de non-plaatsen. En wat Nederland betreft: ik zou het prima vinden om geconcentreerde megasteden te bouwen, zo groot als New York. Liever dat dan die slaperige Vinex-locaties die allemaal op elkaar lijken. Ze slokken net zoveel ruimte op, en er gebeurt niets.

MM Hoe kijk jij vanuit het perspectief van Nederland, een land dat kampt met een serieus ruimtegebrek, naar andere landen, regio’s en steden voor wat betreft infrastructurele kwesties en hun visuele kenmerken?

FvdS Ik kijk mijn ogen uit en ben ontzettend benieuwd. Het is fascinerend om te zien hoe snel de groei doorzet, en de enorme input die die groei genereert, maakt mij gretig. Hoe meer hoe beter! Er zijn mensen die vinden dat megasteden ten koste gaan van de natuur. Als je naar Nederland kijkt, zie je dat alles horizontaal wordt gepland en gebouwd. Bijgevolg is er minder ruimte voor andere functies, bijvoorbeeld recreatie of ‘nieuwe natuur’. Een van de redenen waarom mensen kiezen voor deze manier van wonen, is dat ze een tuin willen. Dat heeft denk ik te maken met feit dat er in Nederlandse steden te weinig mooie groenplekken zijn. En dat terwijl steden de afgelopen jaren zijn volgebouwd. Ook voelen mensen zich prettig als ze zich omringd weten door mensen aan wie ze in sociaal opzicht gelijk zijn, en dat moet steeds bevestigd worden. Grote delen van een stad als Hongkong, bijvoorbeeld, zijn anders gestructureerd en wel zo, dat genieten in de natuur ook in de stad altijd dichtbij is. En het openbaar vervoer is fantastisch. Bijna alle nieuwe hoogbouw heeft een dubbelfunctie en is opgenomen in een transportnetwerk. Er zijn winkels, verschillende verdiepingen met buitenzwembaden en speeltuinen, restaurants, scholen en bioscopen en soms is er zelfs een ziekenhuis. Alles zit in hetzelfde gebouw, dus een auto is niet meer nodig. En omdat de stad zo groot is, doet het minder gestructureerd aan dan Nederland. Frictie zal er altijd blijven, net als improvisatie en verjonging.

MM Ja, die frictie zou eens zichtbaar moeten worden.

FvdS Volgens mij kan Nederland het zich niet permitteren om achterover te leunen en hopen dat alle stadscentra ‘geUNESCOed worden’. Als dat gebeurt, wonen we in 2100 in een museum en is ‘verandering’ een vies woord. We zouden moeten leren van steden als Hongkong en het landschap opnieuw uitvinden. Persoonlijk denk ik dat alles afhangt van wat je wilt dat een grote stad is. Ik zie megasteden als gigantische harde schijven – het is de kunst om te leren hoe je moet navigeren om de informatie die je zoekt, te vinden. Als je dat eenmaal doorhebt, kun je doen wat je wilt en je heel natuurlijk gedragen. Mijn verwachting is dat dergelijke grote stadscentra zich zullen ontwikkelen tot onze nieuwe natuurlijke omgeving.

MM Is het drama van de stad dat een stad muteert?

FvdS Metamorfose is essentieel voor alle levende wezens.

MM Helemaal waar. Waarin schuilt de specifieke schoonheid van de infrastructuur van een stedelijke en/of een industriële omgeving?

FvdS Schoonheid zit hem niet in het feit dat iets leuk of aardig is. Schoonheid heeft te maken met de intrinsieke referenties aan onze ‘staat van zijn’ in het vlakke beeld van de foto. Leuk en aardig betekent niets. Het is leeg en oppervlakkig. Leuk om naar te kijken, maar eigenlijk vrij nietszeggend, omdat het niet aanzet tot nadenken. Stedelijke en industriële infrastructuur spreken een internationale taal van economie en financiën, van macht en invloed, van corporaties en handel. Iedereen weet hoe dat er uitziet, omdat het overeenkomt met beelden van authenticiteit die wij allemaal in onze hoofden hebben gecompileerd. Pas als de beelden matchen, beschouwen we ze als waar. Rosalind Krauss heeft hier geweldige dingen over geschreven. Ja, het is waar en ook niet waar. Dingen die we niet helemaal begrijpen, hebben iets moois: je blijft zoeken naar bevestiging, dat is typisch menselijk. Op die manier voelen we ons verbonden, en dat is een proces dat eigenlijk altijd speelt. Dat ik bepaalde elementen kies, is eigenlijk dus een soort archetypische herkenning. In mijn fascinatie voor het proces en de zoektocht naar schoonheid schuilt volgens mij echte schoonheid. Dat raakt zeer aan wat we denken te weten.

MM Is er volgens jou in zekere zin sprake van inwisselbaarheid van megasteden?

FvdS Absoluut. De culturele diversiteit staat onder grote druk: door de globalisering staat de economie in grote delen van de wereld meer dan ooit op de eerste plaats. De verschillen zijn afgevlakt, want verschillen zijn duur. Ze bemoeilijken de connectie en kunnen leiden tot misverstanden in de communicatie. En die kosten tijd en energie – en dus geld. Vergelijk de financiële districten van een paar belangrijke steden maar eens met elkaar, dan begrijp je wat ik bedoel. Internationale confirmatie was duidelijk de belangrijkste ontwerptool. Het resultaat van dit ontwerp is een soort non-plaatsen, een toneel waarop mensen kunnen spelen en een detail worden in het overall ontwerp, dat beheerst wordt door de functie van – meestal openbare of gemeenschappelijke – gebouwen. Zulke steden zijn er veel en artistiek gezien is dat geweldig om mee te werken. De steden geven me de mogelijkheid toe te voegen en te creëren. Marc Augé verwoordde het als volgt: “Non-plaatsen zijn plaatsen die niet gedefinieerd kunnen worden in de zin van relationele en historische elementen die iets te maken hebben met identiteit.” En als je delen van de buitenkant ziet als non-plaatsen, zijn beelden onderdeel van die non-plaatsen. Dat biedt mij de mogelijkheid om mijn eigen identiteit toe te voegen en iets te doen met dat gegeven.

 

Markus Miessen is architect, onderzoeker, docent en schrijver met als thuisbases Londen en Berlijn. Miessen schreef en redigeerde diverse internationale artikelen en publicaties van academische, wetenschappelijke en populair-culturele aard. In 2009 werkte hij aan zijn PhD aan het Centre for Research Architecture van Goldsmiths in Londen, waar hij onderzoek deed naar conflicten en niet op consensus gebaseerde vormen van participatie als vorm van alternatief ruimtelijk gebruik. Hij was dat jaar ook gastprofessor aan het Berlage Instituut in Rotterdam.